06-05-2012: Aart van Hovenloop, 10km, Bleiswijk
Onder de 45 minuten was het doel op de tien kilometer. Maar dat was nog wel voordat ik een paar dagen voor de wedstrijd met koorts op bed lag. Ook nog voordat ik met keelpijn rondliep en al helemaal nog op een moment dat mijn slijmhuishouding nog op orde was. Al in de eerste kilometer kon ik mijn doel dan ook flink bijstellen. Ik liep dan wel het goede tempo om de grens van 45 minuten te doorbreken, maar ik lag ook goed op schema om halverwege dood te gaan. En daarom schakelde ik een tandje terug en liet ik de groep voor me uit het zicht verdwijnen.
Vlak voor een winderig stukje langs de Rotte werd ik bijgehaald door een medeloper. Het eerste stuk tegen de wind in mocht ik nog voor mijn rekening nemen, maar daarna nam hij het van me over. Makkeljk was dat. Daarvoor had ik nog mijn stinkende best moeten doen om het tempo vast te houden, maar nu ik alleen nog maar hoefde te volgen, was het supersimpel. Ik vond het opeens zelfs iets te langzaam gaan, terwijl we hetzelfde tempo aan het lopen waren als voorheen. Blijkbaar was ik dus nog niet moe en had ik nog voldoende krachten over. Al heel snel nam ik dus de kop weer over en zo wisselden we lekker af totdat we weer het windstille bos in konden om ons eerste rondje af te maken.
Hier twijfelde ik nog even. Ik was heel duidelijk op reserves aan het lopen, maar ik zag toch op tegen het tweede rondje waar ik wederom tegen de wind in zou moeten lopen. Moest ik alvast aan gaan zetten of zou ik mijn reserves gaan gebruiken voor het allerlaatste stuk van anderhalve kilometer? Ik wist het niet. Ik twijfelde. En zo overwon de luie loper in mij. Met gemak. Terwijl ik het eerste rondje in 23 minuten passeerde (tegenvallertje), vond ik het allemaal wel best zo. Die reserves, als ik ze nog over zou hebben, zou ik pas op het einde gaan gebruiken.
Het tweede stuk tegen de wind in was ik ook zeker niet van plan om mijn tactiek aan te passen. Ik was gewoon van plan om weer kop over kop te gaan lopen met mijn medeloper en dat was het dan. We waren weliswaar iets meer tijd in aan het leveren dan tijdens het eerste stuk, maar ik vond het toch zwaar zat en ik berustte in een tijd die misschien zelfs richting de 47 minuten zou gaan.
Maar toen werden we ingehaald door een andere loper. Een dame. En hard ook. Wat mij betreft hadden we die dan ook lekker laten gaan, maar er gebeurde iets vreemds. “Wat doet hij nou?”, dacht ik nog toen mijn medeloper versnelde en achter haar aanging. We waren toch lekker aan het lopen? Redelijk ontspannen. Niet al te moeilijk. Waarom toch al die uitsloverij? En dan nog wel tegen de wind in? Waar is dat in hemelsnaam allemaal goed voor?
Desondanks wilde ik toch niet alleen achterblijven. Ik ging er dus ook achteraan en daarmee nam ik meteen een paar flinke stappen uit mijn comfort zone. Flink doorlopen om bij te blijven. Niet nadenken, maar doorstampen. Geen gaatje laten vallen. Harder. Geen gaatje laten vallen. Mijn god, waar moet ik lopen om uit de wind te blijven. Dit is zwaar. Dit is heel zwaar. Geen gaatje laten vallen. Doorlopen.
In het begin kon ik het maar ternauwernood volgen. Plotseling was ik vanuit het niets bezig met mijn snelste kilometer op het lastigste gedeelte van het parcours. En ik moest nog een heel stuk. Hoe zou ik dat vol kunnen houden? Ik had werkelijk waar geen enkel idee en terwijl ik wanhopig achter mijn medeloper probeerde te blijven hangen, zag ik na een paar minuten opeens zijn handje wapperen. Kom maar. Ga er maar langs, wilde hij zeggen. Ik moet jullie laten gaan.
Zag hij dan iets in mij dat ik niet zag? Dacht hij soms dat ik dit tempo wel zou kunnen volgen? Ik riep zelfs nog dat het voor mij ook te snel ging, maar mijn woorden gingen verloren in de wind. Het was vreemd en verwarrend en voor ik er erg in had, was ik hem al voorbij en was het eerste gaatje al gevallen. Een gaatje dat ik in gedachten al tien keer had zien ontstaan tussen mij en hun tweeën, maar nu liepen de dame en ik dus zomaar bij mijn medeloper weg. Het moest niet gekker worden.
Ik was nu dan ook mijn gruwelijke best aan het doen om bij te blijven, maar langzaamaan gebeurde er iets wonderbaarlijks. Ik kwam in mijn ritme. Ik kon volgen. Ik had dus niet alleen mijn medeloper achtergelaten, maar ook de luie loper in mijzelf. Ik begon het zelfs een beetje genant te vinden dat ik al zo lang aan het volgen was. Een dame was mij uit de wind aan het houden. Niet een of andere brede vent die eventjes een trainingsloopje aan het doen was, maar gewoon een dame! Potdikkie! Van binnen schold ik mezelf helemaal stijf. Was ik nu helemaal besodemieterd! Niet zeuren nu. Kop overnemen, verstand op nul en gewoon doorlopen. Mietje dat je bent.
Terwijl ik zo op kop aan het lopen was, had ik ook nog eens een prachtig uitzicht op twee andere lopers voor me. Enkele kilometers geleden had ik het gat tussen ons op zo’n 40 seconden geklokt en al lang alle nog overgebleven hoop opgegeven om ze bij de finish nog voorbij te sprinten. Maar nu werd het gat alsmaar kleiner en kleiner en begon ik er in te geloven. Overal uit mijn lichaam kwamen nu ook diep verborgen en hard nodige reserves tevoorschijn en één van die reserves bevatte een flinke hoeveelheid testosteron. Toen we eindelijk de wind uitdraaiden en het bos weer ingingen, zette ik nog een laatste keer aan met als doel om die twee lopers voor me in te halen.
Tijdens die inhaalslag raakte ik ook nog eens de dame achter me kwijt. Gek vond ik dat. Ze liep honderd keer makkelijker dan ik, maar op de een of andere manier leek ze het allemaal wel best te vinden. Zelf wilde ik alleen nog maar die twee lopers voor me voorbij. En hard ook. Niet blijven hangen… Want van een eindsprint, zoveel was inmiddels wel duidelijk, zou ik het niet meer moeten hebben. Ik liep ze één voor één voorbij en bang als ik was voor een laatste inhaalsprint liep ik als een dwaas richting de finish. Niet meer omkijken nu. Niet verslappen. Snelheid vasthouden en doorgaan. En blijven luisteren. Luisteren of je ze hoort komen. Luisteren of je nog steeds in je eentje aan het lopen bent.
Ik werd niet meer voorbijgesprint. Ik had het gered. In 45 minuten en 30 seconden kwam ik over de finish. Een heel braaf eerste rondje had ik opgevolgd door een sterk gelopen tweede rondje. Nog veel belangrijker was dat ik weer eens een paar lopers had laten zien wie hier nu eigenlijk de beste is. Alleen zei die dame achteraf wel, en eigenlijk niet geheel onverwacht, dat dit voor haar een trainingsrondje was en dat ze onderweg tijdens het eerste rondje even was gestopt voor een sanitaire stop. Potdikkie! Ben ik dus toch een mietje.