Maandelijkse archief: mei 2009

S.O.S. Hardlopers

ImagesGisteren was op TV, niet geheel toevallig in een programma van Sonja Bakker, weer een goed voorbeeld van de domheid van niet-hardlopers te zien. Al een week lang werd ik geteisterd door aankondigingen over dit programma van Sonja Bakker. Daarin zou deelnemer Martijn gaan afvallen en als hoogtepunt zou hij de marathon gaan lopen. Da’s knap, dacht ik nog. In een paar weken tijd van vet varken naar marathonloper. Dat moet wel een hele goede LOI cursus zijn.

Uiteindelijk ging het niet om een marathon, maar om de 10 kilometer tijdens de Leiden Marathon. Klein verschil. Deelnemer Martijn zei het zelfs een beetje verontschuldigend en daarmee had hij alsnog mijn sympathie te pakken. Het lag niet aan hem, maar aan de voice-overs van RTL4. Die hadden er voor het gemak en voor de sensatiezucht maar gelijk een "marathon" van gemaakt. Want ach, wat is nou het verschil? Het is toch allebei ver?

Het was weer een sterk staaltje van niet-hardlopers die er niets van snappen. Martijn dacht in het programma van Sonja ook dat hij wel eventjes die tien kilometer zou gaan lopen. Uiteindelijk was het allemaal toch nog een stuk lastiger dan hij had gedacht, maar gaandeweg zag je Martijn een echte hardloper worden. Hij snapte het. Zo eenvoudig is het niet om vanuit niks naar tien kilometer te gaan en heel even leek hij misschien toch maar voor de vijf kilometer te kiezen. Of zoals de voice-overs van RTL4 zouden zeggen: een halve marathon.

Er zijn gewoon maar weinig niet-hardlopers met wie je een beetje een normaal gesprek over hardlopen kan voeren. Ze snappen het niet, ze willen het niet snappen en ze hebben vaak ook nog eens nul komma nul verstand van zaken. Dat is lastig praten. Als hardloper heb ik desondanks al vele gesprekken moeten voeren met dat soort mensen. Vaak vermoeiend, regelmatig frustrerend, maar soms ook onbedoeld grappig.

Toch is gelukkig complete onwetendheid wel een uitzondering. Het aantal hardlopers is immers groeiende en daarmee is de kans steeds groter dat je met een niet-hardloper in gesprek komt die tenminste xc3xa9xc3xa9n iemand anders kent die ook wel eens een marathon of een andere loopwedstrijd heeft gelopen. Maar daar houdt het dan ook wel een beetje mee op. De tijden die hun kennissen op de marathon hebben gelopen, weten ze vaak niet eens of ze gokken maar wat. Twee uur misschien op de marathon? Kan dat? Nee? Moet je echt langer dan twee uur lopen voor een marathon?

Als het je oom is, of een verre vriend, dan is het nog wel enigszins te begrijpen, maar je zou toch moeten weten wat je partner ongeveer loopt? Zo was een collega van mij er van overtuigd dat zijn vriendin een marathon binnen de vier uur had gelopen. Niet dus. Ze bleek er een uurtje langer over te hebben gedaan. Een andere collega, die ooit eens een blauwe maandag aan hardlopen had gedaan, wist me te vertellen dat hijzelf ook eens een halve marathon had gelopen. In 1 uur 15 of zo. Toen ik hem feliciteerde met zijn prestatie van destijds en hem vroeg hoe het voelt om een regionale top-atleet te zijn geweest, begon hij toch te twijfelen. Uiteindelijk bleek hij er ruim een kwartier langer over te hebben gedaan en ging het niet om een halve marathon maar om 15 kilometer.

De meest recente ervaring in dit rijtje is van nog niet zo lang geleden. Een vriendin van mijn zusje vertelde hoe een wederzijdse kennis pas nog voor het eerst een marathon had gelopen. In gedachten zag ik de jongen voor me. Altijd in voor een feestje. Biertje in de linkerhand, biertje in de rechterhand. Kortom, typisch zo iemand die je automatisch in het hokje "mensen die nooit een marathon zullen lopen" plaatst. Maar volgens haar had hij het toch echt geflikt en had hij er 3 uur en nog iets van 20 minuten over gedaan. Niet compleet onmogelijk, maar wel rete-irritant, want dat zou betekenen dat hij sneller is dan ik ooit geweest ben.

Bij de eerste de beste gelegenheid controleerde ik dit verhaal dan ook op waarheid. En inderdaad: hij had de marathon gelopen. Op xc3xa9xc3xa9n van zijn finishfoto’s op internet zag ik hem met zijn handen voor zijn gezicht als een teken van ongeloof de finish passeren. Zelf zat ik ongeveer in diezelfde pose naar de foto te staren. Alleen de tijd, die klopte dus niet. Het was toch een uurtje langer. Ook niet slecht hoor, maar voor een hardloper toch wel iets van wezenlijk belang.

Martijn snapt het nu. Die moest zich in een paar weken tijd van xc3xa9xc3xa9n minuutje hardlopen opwerken naar een tien kilometer wedstrijd. Waarvoor hulde. Jammer alleen dat Sonja Bakker zo nodig de laatste kilometer mee moest lopen, zich middenin de stoet hardlopers stortte en daarmee alles en iedereen in de weg liep. Weer eentje dus die er niets van begrijpt, terwijl Martijn, de ware held van het programma, nu wel weet wat het is om een tien kilometer te lopen. Hij weet nu hoe lang een tien kilometer kan zijn. Maar een niet-hardloper? Die kijkt niet op een uurtje of een kilometertje meer of minder. Niet-hardlopers snappen er helemaal niks van.

Na de Leiden Marathon

StartmarathonVorig jaar na de marathon had ik opvallend weinig last van spierpijn. Afgelopen zondag, direct na de finish van de Leiden Marathon, wist ik echter meteen al dat het dit jaar anders zou zijn. Zo gemakkelijk als ik vorig jaar nog van de finish wegwandelde, zo moeizaam ging het nu. In de drukke binnenstad van Leiden werd er dan ook regelmatig achterom gekeken om te zien wie die mank lopende stumperd toch was. Het was inderdaad geen gezicht, maar omdat ze konden zien dat ik een startnummer van de marathon op mijn T-shirt had gespeld, veranderden de "what the fuck?"-blikken al snel in "aha, ik snap het"-blikken.

Wat ook niet echt hielp was dat ik vervolgens lang moest wachten op het pendelbusje naar de parkeerplek van mijn auto. Toch maar eens gaan vragen of ik en inmiddels vele anderen met mij op de juiste plek stonden te wachten. Nee, volgens een vrijwilliger van de organisatie, die me doorverwees naar een andere plek zo’n tweehonderd meter verderop. Vanaf daar had ik een geweldig uitzicht op de plek waar ik tot voor kort zo lang had gestaan en waar nu opeens wel een busje stopte. Een sprintje trekken zat er niet meer in. Ik moest gewoon wachten op de volgende en daardoor duurde het minimaal een half uur voordat ik mijn steeds meer verstijfde benen eindelijk op weg waren.

In de auto begon de opkomende spierpijn voor steeds meer problemen te zorgen. Ik besloot dan ook maar om een korte tussenstop te maken en aangezien ik toch in de buurt van mijn ouderlijk huis was, kon ik gelijk even aan Brinta vragen hoe zijn halve marathon was gegaan. Goed blijkbaar. Het was hem gelukt om weer een halve minuut sneller te zijn dan tijdens de CPC een paar maanden terug. Daar had hij nog kunnen profiteren van mijn diensten als haas. Nu had hij bijna twee uur lang achter twee mannen met ballonnetjes aangelopen die een tempo van twee uur (maar eigenlijk ietsjes te snel) hadden aangehouden.

Na dit korte bezoek kon ik terug naar huis waar mijn arme spieren eindelijk de rust kregen die ze verdiend hadden. Lekker niks doen en uitrusten en relatief vroeg naar bed. De volgende ochtend werd ik wakker met fikse spierpijn. Zeker niet zo erg als na mijn eerste vijf marathons, maar ook weer niet verwaarloosbaar. Niet dat je zegt "kom, laat ik eens een lekker stukje gaan hardlopen." En er was nog wat geks. Iets dat ik ook niet helemaal begreep en mijn gedachten gingen weer terug naar de marathon van Leiden.

Daar ga ik weer. Over dat bruggetje. Door die tunnel. Langs de weilanden. Door die scherpe bocht. Rechts van de verzorgingspost. Links van het groepje kinderen dat sponzen aanreikt. Ergens in het publiek roept iemand mijn naam van mijn startnummer af. En dan nog iemand. En dan nog een paar. Daar loop ik dus. Linkerbeen. Rechterbeen. Linkerbeen. Rechterbeen.

Vreemd. In mijn herinneringen heb ik toch echt beide benen gebruikt. Hoe kan het dan dat ik de dag na de marathon vooral spierpijn had in mijn linkerbeen?

17-05-2009: Leiden Marathon

Home_leiden_marathonIk was helemaal klaar voor Leiden. In de voorbereiding had ik zo goed en zo constant gelopen dat ik me heel wat had voorgesteld van deze marathon. Met belachelijk veel gemak liep ik tijdens trainingen al veel sneller dan vorig jaar en dus pakte ik een paar weken geleden een rekenmachientje er bij. Wat nu als ik het tempo dat ik tijdens mijn trainingen zo gemakkelijk liep nou eens zou vermenigvuldigen met 42 kilometer en 195 meter en daar nu een paar minuutjes speling bij op zou tellen? Welke tijd zou ik dan ongeveer moeten kunnen lopen?

Ik schrok van mijn berekening. Mijn god, 3 uur 15, dat is wel heel erg snel. Dat zou betekenen dat ik tien minuten van mijn PR af zou moeten lopen. Ik vond het idee zo belachelijk dat ik het met niemand durfde te delen. Ik was bang dat niemand me zou geloven en sterker nog, ik geloofde zelf niet eens dat ik zo’n tijd zou kunnen lopen. Stiekem stelde ik mijn doel zelfs ietsjes bij: een tijd onder de 3 uur 20 zou ook heel mooi zijn.

Maar toch… In mijn trainingen bleef ik constant goed lopen en mijn zelfvertrouwen groeide. Ik zou op zijn minst wel eventjes mijn PR gaan verpulveren. De eerste kilometer van de Leiden Marathon bevestigt zelfs dat scenario. Ondanks het gevoel dat ik nog warm moet draaien en ondanks dat ik me toch echt heb ingehouden, loop ik na die eerste kilometer al bijna een minuut onder mijn schema van Rotterdam van vorig jaar. Toen moest ik me immers nog eerst door de mensenmassa heen werken, nu kan ik vanaf het begin vrijuit lopen.

Heel even verkeer ik in een hallelujah-stemming, maar al snel slaat dat om. Dat andere gevoel dat ik al vanaf de start had, namelijk dat ik nog warm moest draaien, gaat maar niet weg. Het kost me moeite om het tempo vast te houden en ik loop gewoon niet soepel. Waar ik in Rotterdam juist heel erg op moest letten dat mijn hartslag niet te hoog werd en ik mezelf dus af moest remmen, gebeurt in Leiden het tegenovergestelde. Na twee kilometer kan mijn ambitieuze schema al de prullenbak in. Het is blijkbaar gewoon niet mijn dag. Ik betwijfel zelfs of ik wel onder mijn PR zou kunnen lopen.

Ik probeer het wel, doe hard mijn best, maar dat is nu juist het grote probleem. Ik weet dat ik wat marge heb ten opzichte van Rotterdam, omdat ik daar pas na twee kilometer mijn eigen tempo kon lopen, maar het kost me nu al moeite om de kilometertijden van toen op zijn minst te evenaren. Er moet gewoon veel te veel gewerkt worden en dat zint me niet.

In mijn zoveelste poging om met de moed der wanhoop toch nog een beetje het tempo vast te houden, passeer ik na een kilometer of zeven het duo Ronald en Claudia. Zoals zij lopen… Ontspannen. Lachend. Makkelijk. Dat wil ik ook, maar het gaat niet. Nog een heel stuk loop ik bijna vergelijkbaar zoals in Rotterdam. Daar had ik zelfs nog even een plaspauze van een halve minuut, dus die kan ik dan mooi bij de marge optellen die ik nog steeds heb. In de kilometers daarna begin ik echter al tijd te verliezen. Eerst heel weinig. Een seconde of twee per kilometer of zo. Maar gaandeweg worden het er meer en meer. Mijn marge is aan het verdampen, maar ik heb er eigenlijk al vrede mee. Het is nu eenmaal niet anders. Steeds meer begin ik te wennen aan het idee dat ik na twee kilometer al had: het zal vandaag geen PR worden.

Vlak voor het halve marathon punt zie ik Ronnie en Janna nog langs de kant. Ik heb nog genoeg energie om te groeten, deels ook omdat ik op dat moment net een energiegelletje aan het wegslurpen ben, maar het beste is er dan al lang af. Op de klinkers in het centrum van Leiden raak ik zelfs compleet mijn ritme kwijt en nu beginnen mijn kilometertijden pas echt op te lopen. Ik verbaas me dan ook over mijn tijd halverwege. Ondanks dat ik al flink tijd aan het verliezen ben, loop ik nog steeds ruim drie minuten onder mijn PR.

En dan loop ik ineens alleen. De halve marathonlopers zijn weg en ik moet het nu helemaal zelf doen. Ik troost mezelf met de gedachte dat ik in ieder geval nog mijn op xc3xa9xc3xa9n na beste tijd kan lopen en ik hou mezelf voor dat ik ook daar dik tevreden mee kan zijn. Onzin natuurlijk. Eigenlijk vind ik het gewoon zwaar kut.

Ik ben echter niet de enige die het moeilijk heeft. Ondanks dat mijn tempo achteruit is gegaan, haal ik nog steeds af en toe een loper in. Daarbij heb ik het nu wel heel erg zwaar, maar ik geniet ook van alle aandacht die ik krijg. De plekken met publiek waar ik langs kom, hebben het soms wel een halve minuut zonder deelnemer moeten doen en als ik langs kom en ze mijn naam van mijn startnummer lezen, barst er elke keer een spontaan applaus en gejuich uit. Overal hoor ik mensen mijn naam roepen en dat is toch eigenlijk wel heel erg leuk. Ik baal er dan wel van dat het niet zo goed gaat als ik had gehoopt, maar ik ga gewoon door en ik sleep mezelf van het ene plukje publiek naar het andere. Van bandje naar verzorgingspost, van verzorgingspost naar kinderen die je sponzen aanreiken. En die vervolgens een kreet van vreugde uitslaken als je ook daadwerkelijk hun spons aanpakt. Nog nooit heb ik zoveel persoonlijke aandacht gehad als in dat tweede rondje in Leiden. Ik raak er zelfs een beetje ontroerd van, maar dat is natuurlijk ook een stukje vermoeidheid.

Steeds zwaarder en zwaarder wordt het. Toch loop ik door en ik stop niet. Nergens niet. Ik blijf doorlopen. In mijn zevende marathon vind ik mezelf dan eindelijk een echte marathonloper. Het gaat steeds langzamer, ik word steeds vermoeider en ik groet het publiek zelfs niet meer elke keer terug, maar ik flik het ‘m toch weer. Het feit dat ik nu kilometers aan het aftellen ben, helpt ook enorm. Ik heb geen idee meer welke tijd ik ongeveer aan het lopen ben, maar onder de driexc3xabneenhalf uur moet toch nog wel lukken?

Na zo’n 39 kilometer komen Claudia en Ronald me plotseling weer voorbij. Ze zijn een stuk stiller dan ruim 30 kilometer geleden, maar dat is nog niks vergeleken bij mezelf. Ik kan niet eens meer groeten en ik laat ze gaan.

En dan, met nog een kilometer te gaan, kijk ik voor het eerst sinds lange tijd weer eens naar mijn tussentijd op BliepBliep. Ik schrik. Ik kijk nog eens. Ik schrik weer. Ik kijk nog eens goed. En dan versnel ik. Ik moet wel. Ik had er totaal geen rekening meer mee gehouden, maar een PR is nog altijd mogelijk. Dan moet ik alleen wel even doorlopen, want het is nog steeds kantje boord.

Bruggetje over. Auw, mijn benen doen pijn. Poortje door. Daar staat publiek. Veel publiek. Ze roepen mijn naam en ik probeer te glimlachen, maar het lukt niet. Het lijkt nergens op. Dan hoor ik opeens Ronnie roepen dat een tijd van onder de 3 uur 25 mogelijk is. Ik zie hem en Janna nog net vanuit een ooghoek, maar ik heb op dat moment echt al mijn energie nodig om overeind te blijven staan. Onder de 3 uur 25? Vooruit dan maar, nog even versnellen dan. Voor ik het weet zit ik opeens tussen de vijf kilometer lopers die ook met hun laatste meters bezig zijn. Het is een zooitje, maar het helpt. Ik trek mezelf op aan enkelen van hen en zo kom ik over de finish.

Met 3 uur, 24 minuten en 56 seconden loop ik 33 seconden van mijn PR af en ik ben blij. Natuurlijk ben ik blij. Het ging dan wel niet zoals ik had gehoopt, maar ik heb toch iets gedaan wat ik bijna 40 kilometer lang niet voor mogelijk hield: ik heb mijn PR verbeterd! In het finishvak merk ik ook pas echt hoe vermoeid ik ben. Wandelen doet pijn, ademhalen gaat de eerste minuut slechts met moeite en ik ben zo doodop dat ik niet goed weet wat ik moet doen en waar ik naar toe moet. Als die eerste vermoeidheidsgolf is weggezakt, haal ik mijn medaille op en sta ik vervolgens keurig in een rij van vijf kilometerlopers op een bekertje water te wachten.

Bij de garderobe krijg ik wel erkenning. Zodra ik aangewaggeld kom en ze aan mijn startnummer zien dat ik net de marathon heb gelopen, moeten alle vijf kilometerlopers even wachten totdat ik mijn tas krijg. Dan voel ik me pas even helemaal een echte marathonloper. Even later kan ik zelfs weer lachen als ik verdwaal, op die manier bijna in het startvak van de tien kilometer terecht kom en een vrijwilliger aan mij vraagt of ik misschien nog zin heb om een tien kilometer te lopen. Nou nee, dank u vriendelijk.

Met moeite sleep ik mezelf voort naar de pendelbusjes. Eerst nog even een omweg voor het toilet, want ik moet opeens plassen. Gelukkig nu pas. Als het tijdens de marathon was gebeurd, had ik geen PR gelopen. Sterker nog, als ik destijds in Rotterdam geen plaspauze had genomen, dan had ik waarschijnlijk vandaag ook geen PR gelopen. Maar het is er dus wel eentje. Geen goede dag, wel een PR. Nog altijd beter dan andersom.

Klaar voor Leiden

LeidenZo vlak voor een marathon is het fijn om een beetje aan je zelfvertrouwen te werken. Gewoon een stukje lopen om dan na afloop te kunnen zeggen dat je er helemaal klaar voor bent en dat wat jou betreft de marathon nu al plaats mag vinden.

Dat zou leuk zijn inderdaad, maar bij mij ging dat dus weer net even anders. Na een druk klusweekend wilde ik zondagavond nog even een stuk gaan lopen, maar na acht kilometer was ik al thuis. Het ging gewoon niet en het had weinig zin om verder te gaan. Maandag ging het al weer ietsjes beter, maar niet goed genoeg om echt laaiend enthousiast te worden. Paniek in de tent dus.

Al mijn hoop was gevestigd op gisteren. Ik had speciaal met Roti, Goulash en Stampertje afgesproken om een stukje te gaan hardlopen. De laatste keer voor de marathon. Minimaal tien kilometer was mijn voorstel, maar dat vonden ze allemaal te lang. Het werd uiteindelijk een rondje van zeven kilometer, waarbij ik vooraf ook nog even zelf wat kilometers bij elkaar moest sprokkelen.

Ruim een jaar geleden was dat nog wel even anders. Toen was dit drietal nog in de voorbereiding voor hun eerste halve marathon en werd er steeds langer en sneller gelopen. Goulash moest uiteindelijk afhaken met een blessure, maar Roti en Stampertje liepen allebei hun eerste halve marathon. Het had de start moeten worden van een intensieve loopperiode, maar het werd uiteindelijk het tegenovergestelde. Roti kreeg last van een blessure, Stampertje van een loopdip en Goulash had het even te druk met haar kookaspiraties.

Van die drie lijkt alleen Goulash langzaam weer op de goede weg en ze durft zelfs weer aan een halve marathon te denken. Daarentegen sukkelt Roti nog steeds met zijn knie en is Stampertje de laatste tijd vaker op de fiets dan in zijn hardloopschoenen te vinden. Als trainingsmaatjesmateriaal zijn ze misschien wel juist daardoor bij uitstek geschikt voor een langzame training en zo konden we met zijn vieren donderdagavond op weg.

Zelf had ik er inmiddels al iets meer dan vier kilometer opzitten. Vier kilometers waarin ik vooral een aantal dingen aan het uittesten was. Voelt alles nog goed? (ja) Heb ik ergens pijntjes? (nee) Wat is ongeveer mijn marathontempo? (geen commentaar)

Het enige waar ik last van had was het vies drukkende weer. De hartslag was daardoor iets hoger dan normaal (lichte paniek) en ook de snelheid was iets minder dan ik gewend was (blinde paniek). Genoeg aanknopingspunten dus om mezelf eens helemaal gek te maken. Wat dat betreft zit ik dan ook eindelijk in het ouderwetse patroon van vlak voor een marathon. Het ene moment denk ik dat alles goed gaat komen, het andere moment denk ik dat het weer helemaal niks wordt.

Het enige dat nog miste, was voor mij het echte gevoel dat de marathon er nu aan staat te komen. In Rotterdam was dat altijd makkelijk. Dan verschenen er marathonvlaggen in het straatbeeld, aankondigingsborden voor afzettingen en wilde iedereen opeens weten of jij ook de marathon zou gaan lopen. Nu moest ik het doen met de enkele collega die mij opeens met krentenbollen rond zag lopen en wilde weten of het dan al bijna zo ver was. En waar was het ook al weer? Leiden, zei je? Hebben ze daar een marathon dan?

Gelukkig bood Stampertje uitkomst. Op xc3xa9xc3xa9n van zijn fietstochtjes was hij langs het parcours gekomen en had hij de eerste kilometeraanduidingen al gezien. Het gaat dus echt gebeuren en eindelijk, na de laatste zeven kilometer van mijn voorbereiding samen met Roti, Goulash en Stampertje te hebben gelopen, kan ik de laatste stap zetten in mijn marathonvoorbereiding. Ik kan eindelijk het volgende zeggen:
Ik ben er klaar voor.

Lift

Rotterdam_veerhavenBijna vier jaar geleden kwam ik voor het eerst in het kantoorgebouw waar ik nu werk. Het is een klein gebouw van slechts drie verdiepingen en staat op xc3xa9xc3xa9n van de mooiste plekjes in Rotterdam. Ik kwam toen voor een sollicitatiegesprek bij het bedrijf waar ik nu werk en toevallig kwam ik in de hal van het gebouw mijn huidige baas tegen. Samen namen we de lift naar de tweede verdieping. Vreemd, dacht ik nog, we hoeven toch maar naar de tweede verdieping? Waarom nemen we niet gewoon de trap?

Het sollicitatiegesprek verliep goed, ik mocht uitgebreid over hardlopen praten en een paar maanden later was mijn eerste werkdag. Die dag en vrijwel alle andere keren daarna nam ik gewoon de trap. Ik kan je zelfs nog de paar uitzonderingen noemen dat ik wel de lift heb genomen. Toen er wat zware spullen naar beneden of boven gebracht moest worden bijvoorbeeld. Of die ene dag na de marathon. Of die dag vorig jaar toen ik een beetje teveel had getraind en ik teveel last had van allerlei zeurende pijntjes in kniexc3xabn en liezen.

Inmiddels weet ik echter ook dat juist ik een uitzondering ben. De meeste mensen nemen gewoon de lift. Zelfs de meerderheid van de het kantoorvolk dat hier nog een verdieping lager werkt, weigert gewoon de trap te nemen. Ze staan liever wat langer bij de lift te wachten dan dat ze de trap nemen. Iedereen was dan ook in rep en roer toen er twee jaar geleden onderhoud aan de liften plaats vond en ze een dagje buiten gebruik waren. Stel je voor zeg. Trappen lopen. Poeh poeh. Dat is zwaar.

Soms zie ik wel eens iemand met krukken of met een rolstoel de lift in gaan. Kijk, daar doe ik dan ook niet moeilijk over. Daar kan ik dan wel inkomen, maar van de rest snap ik echt helemaal geen reet. Ze zien er niet uit alsof ze zware lichamelijke mankementen hebben, ik weet dat ze de dag vantevoren geen marathon hebben gelopen en ook een kleine blessure kan niet de reden zijn voor het liftgebruik. Het zijn namelijk geen hardlopers, want ik ken ze inmiddels. Ze zijn gewoon heel erg lui. En dan niet ‘lui’ in de zin dat ook een hardloper als ik lui kan zijn, maar juist de allerergste vorm van luiheid die er bestaat op deze wereld: de luiheid van een niet-hardloper.

Het doet mijn lopershart dan ook pijn als ik ‘s ochtends weer eens tegelijkertijd met iemand anders naar binnen loop en die persoon gaat rechtstreeks naar de lift toe. Waarom?, denk ik dan, waarom? En vervolgens doe ik hard mijn best om de lift voor te zijn. Niet te hard de trap op stampen natuurlijk, want dat zullen ze in de lift kunnen horen, maar wel zo snel mogelijk. Dat alles voor die kleine genoegdoening om de liftgebruiker voor te kunnen zijn.

Daar gaat de lift al open en daar loop ik al. Ik heb het ‘m weer geflikt. Ik was weer eens sneller. Ik weet dat ze me kunnen zien, maar helaas weet ik ook dat het allemaal niets uitmaakt. Ik krijg ze gewoon niet uit de lift. Ze hebben schijt aan mij, schijt aan elke vorm van lichaamsbeweging en de kans is erg klein dat ze ooit zullen veranderen. Maar dat laatste geldt ook voor mij en daarom ga ik dus door met mijn stil protest.

Exc3xa9n keer. Exc3xa9n keer kon ik het toch niet laten om iemand er op aan te spreken. Het was een collega en iemand die in de kracht van zijn leven was. Misschien was hij wel niet heel erg sportief, maar ik kon eigenlijk geen goede reden bedenken waarom deze persoon de lift zou nemen. Zijn antwoord verbaasde me. Het was er eentje van een ontroerende schoonheid en eenvoud, maar vooral ook eentje van een ongekende stupiditeit. Tsja, zei hij en hij meende het serieus, ik ben natuurlijk niet in zo’n goede conditie als jij…

Het was een alert antwoord. Dat dan weer wel. Snel gegeven ook. Eentje die heel mooi de zaken omdraait en waar als antwoord op zichzelf weinig tegen in te brengen valt. Daarom moet ik er nog vaak aan terugdenken als ik weer eens de trappen op- of afloop. Want hoe zou het zijn geweest als een niet-hardloper hem die vraag had gesteld? Wat had hij dan geantwoord? Zou hij een niet-hardloper eerder serieus hebben genomen? Ik weet namelijk dat ze bestaan: niet-hardlopers die toch de trap nemen. Waarom kunnen zij hun luie soortgenoten niet eens ter verantwoording roepen?

Niet-hardlopers. Het zijn gewoon hele rare mensen.

Wachten

WachtkamerDe marathon is al over een kleine anderhalve week, maar voor mijn gevoel duurt dat nog heel erg lang. Gek is dat. In april trainde ik mezelf helemaal het apelazerus en had ik nog het gevoel dat de marathon nu wel heel erg dichtbij was. Hoe langzamer en langer ik liep, hoe dichterbij de marathon kwam. Nu ik echter weer sneller en korter aan het lopen ben, lijkt de marathon juist weer heel erg ver weg.

Hardlopend probeer ik me tot die tijd zo veel mogelijk bezig te houden met gevarieerde trainingen. Op die manier kan ik mijn energie ook een beetje kwijt, want ik raak op een positieve manier enorm opgefokt als ik aan de marathon denk. Dan wil ik lopen en laten zien wat ik kan. Niets is fijner dan met hoge snelheid een heuvel op te stormen als ik aan de laatste kilometers van de marathon denk. Misschien is het niet slim, verantwoord zal het ook wel niet zijn, maar het is wel lekker. Heel erg lekker zelfs.

Het stoort me dan ook dat ik braaf de meest gangbare trainingsadviezen opvolg en daarom nu de trainingen af moet bouwen en minder mag lopen. Ik wil gewoon lopen! Donderdag is bijvoorbeeld standaard zo’n dag die ik normaal gesproken als hardloopdag zie. Gisteren heb ik er echter bewust voor gekozen om maar eens een keertje over te slaan, omdat ik anders teveel kilometers zou maken. Pas aankomend weekend mag ik van mezelf weer een beetje hardlopen. Ik was zelfs van plan om nog even volle bak een wedstrijd te gaan lopen, maar ook dat heb ik met tegenzin uit mijn hoofd gezet.

Vooral dat laatste stoort enorm. Ik voel me namelijk zo goed dat ik het idee heb dat ik op welke afstand dan ook een goede kans maak om een PR te verbeteren. Misschien lijkt het allemaal maar zo, maar daar zal ik nu dus niet achter gaan komen. Ik ben te bang dat ik na een wedstrijdje, een week voor de marathon, niet genoeg tijd heb om daarvan te herstellen. En dus loop ik maar geen wedstrijdje. Al die energie en alles wat er in de komende dagen nog aan opgekropte energie bij gaat komen, moet dan ook maar wachten tot 17 mei.

Ik moet wachten, maar ik wil lopen. Het duurt allemaal veel te lang. Was het maar alvast 17 mei…