Maandelijkse archief: april 2010

25-04-2010: Aart van Hovenloop, Bleiswijk, 10 km

IkBijna een half jaar na mijn laatste wedstrijd, bijna drie maanden na mijn laatste blog en ruim anderhalve maand na terugkomst uit Australixc3xab stond ik weer eens aan de start van een loopwedstrijdje. Een tien kilometer dit keer. De maand vakantie in Australixc3xab had er flink ingehakt en ik had dan ook geen al te hoge verwachtingen. De vorm is weg en dat weet ik. Pas enkele weken na terugkomst van vakantie had ik weer een beetje het gevoel dat ik dingen aan het doen was die op hardlopen leken, dus toen iemand me vroeg wat ik van plan was, zei ik aarzelend dat ik op een 43-er hoopte. Misschien zat er zelfs een 42-er in.

Maar eigenlijk hoopte ik op veel meer natuurlijk. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat ik niet onder de 44 minuten zou kunnen lopen. Ik bedoel maar… Vierenveertig minuten. Dat is twee rondjes van 22 minuten. Dat is toch absurd langzaam? Voor iemand die een half jaar geleden nog heel dicht tegen die 40-minuten grens aan zat? Dat moet toch veel sneller kunnen?

Met grootse plannen en een nog veel grotere overmoed ging ik dan ook voortvarend van start. Hoppa, kilometer xc3xa9xc3xa9n… Mag zelfs nog ietsjes langzamer. Eventjes wat gas terugnemen in die tweede kilometer. Even ontspannen. Maar eigenlijk gaat het beter dan verwacht, want daar is kilometer twee al. BliepBliep. Acht minuut 25. Gaat lekker zo. Mooi op schema. Zie je wel. Die tijd van 42 minuten gaat er nog wel komen.

Die ene alinea omschrijft kort samengevat de enige goede herinneringen die ik aan deze tien kilometer heb overgehouden. Want daarna werd het ploeteren. BliepBliep liet al snel oplopende kilometertijden zien en ik moest hard werken om de schade beperkt te houden. Nog heel even werd ik na een kilometer of drie geholpen door iemand uit het achterveld die me bijhaalde zodat ik twee kilometer lang alleen maar tempo hoefde te volgen. Doorkomst op de vijf kilometer: 21 minuten en 32 seconden. Zo op het eerste oog was er dus nog niks aan de hand.

Maar al snel daarna ging het pas echt fout. Mijn clubgenootje en ik liepen zij aan zij en bij een scherp bochtje moest ik iets uitwijken om ruimte te maken. Opeens lag hij een paar passen voor me en toen was het definitief gedaan met me. Ik kon niet meer. Niet meer bijhalen, niet meer volgen, helemaal niets meer. Het ging zelfs zo hard achteruit dat de onmogelijk geachte tijd van 44 minuten al snel in zicht kwam.

Bij het ingaan van de laatste kilometer was zelfs die tijd al weer uit zicht verdwenen. Ik bereidde mezelf dan ook al voor op een tijd van laag in de 45 minuten toen ik in de verte de finishklok zag staan. 44 minuten hoog, maar nog wel heel wat meters te gaan. Mijn eerste versnelling ging daarom met tegenzin. Had het nog wel zin? Was het niet al te laat?

Maar al snel, ook al is dat hier misschien een verkeerde woordkeuze, begon ik er in te geloven. Een nog grotere blamage dan een 44-er zou ik misschien nog net kunnen voorkomen. Met een uiterste inspanning wist ik er nog net 44 minuten en 57 seconden van te maken.

Kapot was ik aan de finish. Doodmoe. Mijn benen ontploften, ik kreeg haast geen adem en het liefste wilde ik gewoon even ergens lekker gaan liggen. Lichamelijk voelde ik me alsof ik eindelijk die veertig minuten grens had doorbroken, maar dat was natuurlijk niet zo. Dan had ik maar liefst vijf minuten sneller moeten zijn en dat is op dit moment, in deze vorm, na deze dramatische tien kilometer, heel erg onwaarschijnlijk.