Maandelijkse archief: mei 2010

Heuveltraining

26035898Heuveltrainingen zijn zwaar. Voor mij dan. Soms lijkt het net alsof de meeste mensen die ik op een vlak parcours nog met gemak bij kan houden, heuvelop met nog meer gemak van mij weg lopen. Waar dat aan ligt, weet ik niet, maar ik vind het zo irritant dat ik de laatste tijd regelmatig een heuveltje meepak in mijn eigen trainingen. Zo hoop ik om beter te worden. Sterker, sneller, een echte klimmer. Dat dit nog steeds niet helemaal het gewenste effect heeft, bleek afgelopen dinsdag nog maar eens tijdens de training.

Halverwege een rondje heuveltraining lag ik al weer een flink stuk achter op enkele lopers voor mij. Ver, maar nog steeds te overzien en om niet weer kansloos achteraan te eindigen, besloot ik om ze langzaam in te gaan halen. Ik kan me immers niet voorstellen dat ik beter kan worden door elke keer als een laffe hond ergens achteraan te hobbelen. Doodgaan moet ik. Werken, zweten en zwoegen. Alles om weer de aansluiting te vinden met die mensen voor me.

Op de rechte stukken kom ik iets dichterbij. Niet al te veel, want daar word je moe van en ik moet natuurlijk nog wel wat krachten overhouden voor de klimmetjes. Daar pak ik inderdaad de meeste winst zodat ik op de rechte stukken en de kleine afdalinkjes weer iets kan herstellen. Zo zie ik ze opeens nog maar enkele tientallen meters voor me lopen. Nog even aanzetten en ik zit alweer achter ze.

Nu is het nog maar een kwestie van aanhaken, uithijgen en langzaam herstellen. Heuvelop kan ik inmiddels al makkelijk met ze mee, dus blijkbaar zijn al die eigen uitstapjes naar de heuveltjes in de buurt niet voor niets geweest. Terwijl we zo voort denderen, maak ik stiekem al plannen om ze voorbij te gaan. Gewoon eventjes om een statement te maken en om te laten zien wie hier nu beter is. Dat gevoel wordt nog maar eens bevestigd als we een klein stukje omhoog lopen. Hier moet ik echt inhouden om niet tegen de loper voor me te botsen.

Maar dan zie ik voor me alweer naderend onheil. Oftewel de reden dat ik uberhaupt bezig was met een inhaalrace. Nog vijftig meter, nog veertig… De steile afdaling komt steeds dichterbij.

Want dat is nu juist het probleem. Klimmen gaat steeds beter, maar om terug te keren op hetzelfde punt moet je ook weer naar beneden en afdalen is niets voor mij. Misschien komt het wel doordat ik niet suxc3xafcidaal ben en juist wel allerlei leuke dingen heb om voor te leven, want het lukt me gewoon niet om mijzelf net als de rest naar beneden te gooien. Voor me zie ik de lopers daarom al weer met grote stappen naar beneden gaan en van me weglopen. Ik probeer hetzelfde, maar het lukt me niet. Als ik eenmaal met kleine voorzichtige pasjes voor mijn doen toch nog redelijk snel beneden ben, is de afstand tussen mij en de rest al weer vele tientallen meters gegroeid.
Lekker is dat. Kan ik weer opnieuw beginnen met mijn inhaalrace.

13-05-2010: Lopen doet hopen, Rotterdam, 10 km (en een beetje)

Topillu_2
Het doel van deze tien kilometer was eigenlijk heel simpel. Sneller dan de vorige keer. Sneller dan het debacle dat nog net geen 45 minuten had geduurd. Eigenlijk een hele simpele opgave dus, want ik kon me haast niet voorstellen dat het langzamer zou kunnen gaan dan dat. Ik kwam dan ook niet, zoals misschien sommige andere lopers, om voor het goede doel te lopen, maar gewoon omdat ik aan mezelf wilde laten zien dat ik op de goede weg ben.

De eerste kilometer op de baan ging best aardig. Heel even dacht ik dat zelfs dat ik te snel van start was gegaan, omdat ik eigenlijk te ver vooraan zat. Maar dat had blijkbaar meer met het niveau van de rest van de lopers te maken, want voor mijn doen was de start behoudend. Goed dus. Houden zo. Het doel is immers ook om ontspannen te lopen, niet dood te gaan, en op die manier toch sneller te zijn dan de vorige keer.

Ik haal nog wat lopers in en dan vanaf een kilometer of twee loop ik helemaal alleen. Alleen zo’n honderd meter voor mij loopt nog iemand anders en dat blijkt de komende paar kilometers een goed richtpunt te zijn. Ik hoef niet al te vaak meer op BliepBliep te kijken, ik weet dat het qua hartslag goed zit en ik goed op schema lig, dus ik hoef alleen maar de afstand tussen ons tweexc3xabn gelijk te houden. In de laatste paar kilometers, zo is althans het plan, kan ik altijd nog d’rop en d’rover.

Zo’n 3,5 kilometer voor het einde word ik echter zelf bijgehaald. Ik ben verbaasd, want ik weet dat er een enorm gat tussen mij en deze loper heeft gezeten. Even later komt er zelfs nog een tweede loper bij en samen gaan ze op jacht naar de loper die al die tijd voor mij heeft gelopen. Eigenlijk vind ik het nog iets te vroeg om nu al te gaan, maar ik heb me van mezelf al zo lang in moeten houden, dat ik besluit om toch maar mee te gaan. Voor het eerst deze wedstrijd moet ik echt even bijschakelen om het nieuwe tempo vol te houden.

Even ontstaat er een groepje van vier lopers, maar de eerste loper haakt al snel af. Het is de loper die ik al die kilometers voor mezelf als toetje had bewaard en eigenlijk vind ik dat daarom wel jammer. In het groepje van de overgebleven drie vind ik mezelf namelijk de minste loper. Zij zijn immers van ver gekomen om mij bij te halen en zo op het eerste gezicht hebben ze ook beduidend minder moeite met dit tempo in deze fase van de wedstrijd dan ik.

In eerste instantie is het voor mij dan ook puur een kwestie van kleven en niet laten gaan. Als eentje nu zou versnellen, dan zou ik direct moeten lossen, maar niemand versnelt en de finish komt dichterbij. Nu we zo dichtbij zijn, begin ik er ook zelf in te lopen en als dan eindelijk de lang verwachte versnelling komt van de loper die mij als tweede voorbij kwam, kan ik die wonderbaarlijk genoeg nog volgen ook. We zijn vervolgens maar met zijn tweexc3xabn, want dit tempo is voor loper nummer drie net iets te veel.

Zij aan zij lopen we naar de finish toe en daar maak ik een grote fout. Ik blijf links van hem lopen, terwijl ik beter achter hem had kunnen blijven. Twee scherpe bochten naar rechts later, waarbij ik net wat meer meters af moet leggen dan hij, is er namelijk een heel klein gaatje ontstaan. Misschien wel daardoor zet hij nog een keer extra aan en opnieuw maak ik een foutje door niet meteen mee te durven gaan. Zo’n lang stuk sprinten zie ik namelijk nog net niet zitten. Te bang, te weinig zelfvertrouwen, misschien ook gewoon net nog niet goed genoeg. Als ik eenmaal reageer, is het veel te laat en weet ik al dat ik hem niet meer bij kan halen.

Ik finish uiteindelijk in 45 minuten en 9 seconden. Dat is weliswaar langzamer dan de vorige keer, maar de afstand blijkt ook bijna 400 meter langer te zijn. Volgens BliepBliep heb ik tien kilometer in 43 minuten en 52 seconden gelopen en daar ben ik meer dan tevreden mee. Nog steeds niet goed, nog steeds ver weg van die veertig minuten, maar wel gedoseerd en sterk gelopen. Die SnakeMaster gaat er echt nog wel eens een keertje komen.

De weg terug

Na mijn teleurstellende optreden in mijn eerste loopwedstrijdje sinds lange tijd was ik de wanhoop nabij. Tien kilometer in 44 minuten en 57 seconden. Wat vond ik dat slecht zeg. Het had dan ook niet nxc3xb3g eens drie seconden langzamer moeten zijn, want dan had ik mezelf natuurlijk beter meteen van kant kunnen maken.

De dag na dat dramatische optreden overheerste dan ook vooral een gevoel van ongeloof. Hoe kon dit gebeuren? Hoe was dit mogelijk? Had ik gewoon een slecht dag gehad, of ben ik op dit moment werkelijk zo slecht? Toegegeven, tijdens mijn vakantie had ik nauwelijks getraind en in de weken thuis daarvoor was het door de sneeuw en de kou ook niet altijd even makkelijk gegaan. Maar toch… Ik was alweer een tijdje goed bezig en voor mijn gevoel was ik op de weg terug. Ik snapte ook wel dat een veertiger er niet in zat, maar dit… Wat had ik in godsnaam gedaan om dit te verdienen?

En zo kon het gebeuren dat ik me volkomen impulsief inschreef voor een volgende tien kilometer wedstrijdje. Op Koninginnedag werd er namelijk ‘s ochtends vroeg in Hendrik-Ido Ambacht een loopje georganiseerd en dat leek me, ondanks het feit dat Nordic Walkers er ook welkom zijn, een goede gelegenheid om te kijken hoe het nu echt met mijn vorm staat.

Maar uiteindelijk ben ik niet gegaan. Deels uit angst voor een nog slechtere tijd en deels omdat ik een ander alternatief had: trainen op de baan. Donderdagavond meldde ik me dan ook voor een intervaltraining op de atletiekbaan met als doel om langzaam weer wat snelheid terug te krijgen. Op het programma stonden 10 rondjes van 400 meter die allen ongeveer in vijf kilometer tempo afgelegd moesten worden.

Daar lag eigenlijk meteen het probleem, want wat is nu eigenlijk mijn vijf kilometertempo? Een paar maanden terug had ik het nog wel geweten, maar nu had ik gewoon geen idee. Ik weet daarentegen wel wat ik graag als mijn vijf kilometer tempo zou willen hebben en dat nam ik dan ook maar als uitgangspunt. Rondjes van 95 seconden werden dan ook mijn doel.

Het eerste rondje ging direct iets te snel en het was dan ook niet gek dat bij mij na afloop het hoe-hou-ik-dit-nog-eens-negen-rondjes-vol gevoel overheerste. En toch lukte het. Vraag me niet hoe, maar ik deed het gewoon. De laatste rondjes gingen zelfs nog ietsjes sneller, dus voor het eerst sinds die desastreus verlopen zondag voelde ik me weer een beetje hardloper. Nu moet ik nog alleen een manier zien te verzinnen om dit tien kilometer vol te houden.