Afzien
Als ik naar buiten loop, voel ik al dat het niet mijn dag gaat worden. Het is koud, mijn spieren voelen stram aan en ik kom maar moeizaam op gang. De eerste kilometer leg ik zelfs nog klappertandend af, waarna ik pas in de tweede kilometer begin op te warmen.
Soms wil het dan nog wel eens helpen door me niet op het hardlopen te concentreren, maar op de omgeving. Maar niet vandaag. Vandaag mist het namelijk. Vandaag zie ik niks en voel ik van alles. Geen prettige gevoelens zoals normaal, maar overal pijntjes. Kortom, ik heb weer eens zo'n zeldzame dag te pakken waarop hardlopen niet vanzelf gaat en het gewoon even niet leuk is.
Ik probeer het wel, ik probeer zelfs van alles. Versnellen, vertragen, in mezelf zingen, problemen uitdenken en ook gewoon van frustratie hardop vloeken. Maar niets helpt. Helemaal niets. Het blijft zwoegen vandaag. Als ik na een half uur bij de training aankom, heb ik eigenlijk zelfs geen zin meer.
De training zorgt gelukkig in het begin nog voor wat afleiding. Ik hoef namelijk niet over tempo's na te denken. Ik hoef alleen maar te volgen. Gewoon naar dat mannetje voor je kijken en er achteraan hobbelen. Dat kan ik zelfs. Zelfs op een dag als vandaag. Daarbij is er met de mist om ons heen trouwens ook geen ander alternatief. Het mannetje voor je is namelijk het enige dat je kan zien.
De training bestaat vandaag onder meer uit zes versnellingen van vier minuten. De eerste drie gaan nog wel, maar bij de vierde is het definitief voorbij. Het is op. Over en uit. Het lichaam wil niet meer en protesteert en ook het hoofd heeft er dan geen zin meer in. De route die we volgen, loopt namelijk vlak langs mijn huis en de verleiding is erg groot om hier gewoon te stoppen en naar huis te gaan.
Bijna stop ik er ook mee. Dertien komma nog wat kilometer is ook mooi, hoor ik mezelf denken. Daarentegen hoor ik mezelf tegen iemand anders zeggen dat ik vandaag in ieder geval twintig kilometer gelopen wil hebben. Ik brabbel iets met het testen van doorzettingsvermogen er achteraan en zo loop ik het punt voorbij waarop ik het snelste naar huis zou kunnen. Vanaf nu loop ik alleen nog maar meters die ik straks ook weer terug zal moeten lopen.
Fijn. De motivatie is ver onder het nulpunt gezakt.
Het laatste stuk probeer ik nog een gesprek te voeren, maar ook dat gaat niet meer. Er valt een stilte. Er is een vraag gesteld. Ik moet antwoorden. Ik zeg het eerste dat in mijn vermoeide hoofd opkomt. Er wordt instemmend geknikt. Gelukkig. Het valt misschien niet al te erg op. De laatste versnelling gaat in. Alles, maar dan ook echt alles doet pijn nu.
Aan het einde van de versnelling, waarin ook de laatste spiertjes en peesjes zich in de lange rij van klagende lichaamsonderdelen hebben gevoegd, meld ik me af bij de trainer. Nu ga ik echt naar huis. Nu mag het van mezelf. De lichtjes van mijn clubgenoten verdwijnen in de mist, terwijl ik bijna op mijn benen sta te trillen van vermoeidheid. Het is nog iets meer dan drie kilometer naar huis en ik heb geen idee hoe ik dat voor elkaar ga krijgen.
Het laatste stukje is pas echt een hel en ik mag blij zijn dat ik niemand tegenkom. Niet dat iemand me nu zou kunnen herkennen, want ik beweeg me voort als een oude man en zo zie ik er waarschijnlijk ook uit. Ik weet wel dat ik sneller thuis ben als ik sneller ga lopen, maar het lukt me niet meer. Dat ik me xc3xbcberhaupt kan bewegen, vind ik al heel wat.
Vierhonderd meter voor mijn huis hoor ik het twintigste bliepje van de avond en ik stop meteen met hardlopen. Geen meter extra. Zelfs geen centimer! Het is gewoon genoeg geweest. Nu hoef ik alleen nog maar te wandelen. Op de ultieme beloning, de warme douche, moet ik dan nog wel even wat langer wachten, omdat mijn badkamer verbouwd wordt en ik daarvoor naar mijn ouders moet, maar daarna voel ik me zowaar weer een mens.
Wanneer mag ik weer?